Houtskool vastpakken en beginnen

Interview met Quinten Torp

Als de handen van Quinten Torp (ook bekend als Geert Mullens, °1960, Genk) niet met penseel en verf in de weer zijn, is de kans groot dat ze een fietsstuur vasthouden. Zijn twee favoriete bezigheden – schilderen en fietsen – weet hij zelfs te combineren op avontuurlijke schilderfietstochten. Ook in zijn meest recente project, TURNERoundITALIA, trekt hij naar Italië gewapend met verf, penselen én zijn vintage fiets (die voor de langere afstanden boven op een vintage auto meegaat). Ter gelegenheid van William Turners 250ste verjaardag volgt hij fietsend zijn spoor door Italië.  De Engelse romantische schilder liet zich daar in 1819 betoveren door het licht, de kleuren en de sfeer van het landschap.

Hoewel Quinten Torp tijdens zijn fietstochten plein air werkt en daarbij opvallend vaak bergen of bomen als onderwerp kiest, karakteriseert hij zichzelf niet als een landschapschilder. De landschappen zijn voor hem niet het onderwerp maar de aanleiding, licht hij toe. Het is trouwens  niet zijn bedoeling om de schetsboeken van Turner letterlijk te gebruiken als een soort reisgids om de plekken op te zoeken waar Turner ooit schilderde. “Als ik op mijn fiets spring, weet ik niet vooraf waarnaartoe. Ik begin te fietsen, en op een bepaald moment stop ik ergens. Ik kan niet zeggen waarom. Het hoeft geen pittoreske plek te zijn. Soms is het gewoon praktisch, bijvoorbeeld: ik kies een plek waar niemand me ziet. Ik wil via een beeld een bepaalde sfeer, emotie of beleving uitdrukken. Van één landschap dat ik voor me heb, kan ik bij wijze van spreken duizend schilderijen maken. Het beeld wordt een expressie van iets in mezelf.”

Onverwachte dingen toelaten

Alles begint voor hem vanzelfsprekend bij het fysieke gebaar: de borstel vastpakken en beginnen. “Mensen vragen mij vaak: waar haal je je inspiratie vandaan? Maar voor mij is schilderen niet iets waarvoor je eerst inspiratie moet hebben. Ik neem de borstel in mijn hand, ik begin. Meestal met een vaag idee van waar ik naartoe wil. Als je moet wachten tot de inspiratie komt, tja, dan blijf je misschien wachten.” Tijdens het schilderen worden diepere lagen zichtbaar. “Achteraf zie ik dan een samenhang, een onderliggende reden die ik op dat moment nog niet kende. Maar eerst is er het doen, het fysieke contact met het penseel, het aanvaarden ook dat de verf zich niet altijd gedraagt zoals je wilt, dat er onverwachte dingen kunnen gebeuren. Juist daarin ontstaat het werk voor mij. Ook fouten of onvolmaaktheden kunnen een plek krijgen.”

Dat bleek inderdaad al uit eerdere projecten zoals de reeks Il Cambio (een verwijzing naar fietsversnellingen, maar ook naar verandering in een mensenleven). Bij deze fietstocht door Italiaanse berglandschappen nam hij losse doeken mee zodat hij geen schildersezel hoefde mee te zeulen. Vooraf had hij er niet echt bij stilgestaan dat de ondergrond waarop hij schilderde, een rol zou spelen in de creatie. “Ik werkte met acryl omdat het snel droogt. Soms begon de sterk verdunde verf te lopen. Ze zocht haar weg in de oneffenheden: er vormden zich geultjes. Dat vond ik net boeiend: iets praktisch dat een andere draai geeft aan je werk. Ik liet dat dan wel, én niet, toe. Dat heeft de werken gemaakt.”

Performance onderweg

In zijn recente reeks Condorino stelt hij zich zelfs nog radicaler open voor het oncontroleerbare  (“de dingen die je niet in de hand hebt”): hij maakt de schetsen onderweg op een Condorino – dat is een type oude stadsfiets met een stuur dat doet denken aan condorvleugels, handig om er een schetsplankje op te monteren. Soms tekent hij al fietsend, soms tijdens een korte stop. Hij werkt dan met droge materialen zoals houtskool of extreem zachte potloden waarmee je diepzwarte lijnen kunt trekken. Het gaat snel, en de eenvoud en kracht van de lijnen waarmee hij het landschap vangt, zijn voelbaar: “De lijn die je trekt is een paar meter verder al niet meer relevant omdat het landschap voortdurend verandert terwijl je aan het fietsen bent. Maar ik sta ook regelmatig stil. Het onderweg zijn speelt altijd mee. Zo ontstaan heel primaire tekeningen – kriebels bijna – die iets essentieels proberen vast te houden.”

Die manier van tekenen is verwant aan hoe hij schildert: fysiek, intuïtief en open voor wat er onderweg gebeurt. Soms tekent hij zelfs blind. Dan wordt het tekenen een soort performance, een handeling waarin opnieuw het landschap slechts een aanleiding is – het beeld doet er nog aan denken, maar wordt iets op zichzelf.

Niet te krek

Als hij niet onderweg is, werkt hij in zijn atelier in het station van Zolder (Heusden-Zolder). Dat is waar we hem ontmoeten om over handen in de kunst te spreken. Concrete voorbeelden van handen in zijn werk kan hij niet geven. “Ik ben daar in mijn werk eigenlijk niet mee bezig,” zegt hij. Al vindt hij het belang van handen wel evident. “Mijn handen zijn heel kostbaar. Dat geldt voor iedereen, denk ik. Je merkt pas hoe hulpeloos je bent als je iets ‘aan de hand’ hebt. Met benen of andere ledematen is dat ook wel zo, maar je handen heb je nodig om te creëren: een tekst, muziek, een schilderij, een huis. Met je stem kan je zingen – dat is ook iets creëren – maar met je handen kan je iets maken dat blijft. Handen zijn een verlengstuk van je geest om iets te creëren.”

Hij schildert altijd met chirurgische handschoentjes aan. “Omdat ik zoveel ‘smodder’. (Lacht) Vroeger deed ik dat niet, maar ik moest altijd terpentijn gebruiken om mijn handen schoon te krijgen. Dat leek me niet zo gezond.” Nu hij dat zo gewend is, storen de handschoenen hem niet bij het werk. Hij werkt ook niet gedetailleerd, gebruikt de verf royaal. “Sommigen herkennen het figuratieve niet in mijn werk, ze zien gewoon klodders verf,” stelt hij wel eens vast. Toch is zijn werk nooit helemaal abstract.  “Ik laveer op een lijn tussen wanneer verf beeld wordt en verf verf blijft”, legt hij uit. “Het moet niet te krek zijn. Het moet smeuïg blijven.”

Hij is duidelijk niet het type kunstenaar die de touwtjes strak in handen wil houden of het handje van de toeschouwer wil vasthouden. Hij streeft met zijn beeldende kunstwerken naar “een soort één-op-één-beleving”, zoals bij muziek: “Je hoort hetzelfde stuk als iemand anders, maar je gedachten dwalen af naar wat jij zelf hebt meegemaakt. Dat wil ik ook met mijn werk: dat mensen mij volgen in wat ik maak, maar er tegelijk hun eigen ideeën, herinneringen of gevoelens in terugvinden.”

 

Je favoriete handen in het leven?

Quinten Torp: “Dat zijn sowieso mijn eigen handen. En de handen van een geliefde, die zijn ook heel belangrijk: je kunt ze vasthouden, ze zijn het dichtst nabij.”

Je favoriete handen in de kunst?

Quinten Torp: “Een kunstgeschiedenisleraar heeft me ooit gewezen op de handen bij Caravaggio (1). Als je goed kijkt, zie je vuil onder de nagels. Hij plukte gewone mensen van op straat als model. Dat vond ik fascinerend. Die vuile randjes vond ik super. Michaël Borremans heeft ooit een rode en groene hand geschilderd. Heel knap. Intussen is dat werk door anderen nagedaan,  maar dat origineel, dat is me echt bijgebleven – ook door de kleuren. Ik ben niet per se een grote Borremans-fan, maar dát vond ik echt goed.”

Je favoriete citaat, titel, uitdrukking of gezegde waarin handen voorkomen?

Quinten Torp: “Ik moest meteen denken aan een gezegde dat ik omdraai, omdat het dan beter past bij hoe ik denk: “Beter tien vogels in de lucht dan één in de hand.” Dat zegt precies hoe ik in het leven sta: ik wil vogels laten vliegen. En bij uitbreiding wil ik iedereen kansen geven in wat hij goed en graag doet- niet vasthouden.”

Je favoriete handgebaar?

Quinten Torp: “ Dit hier. (Toont opgeheven pink en wijsvinger). Het wordt gelinkt aan rock, je ziet het op festivals. Voor mij zit daar iets strijdbaars in. Oorspronkelijk betekent het iets anders – ‘cornuto’ (letterlijk hoorndrager in het Italiaans) – maar het is verbasterd en heeft een nieuwe betekenis gekregen. Het is een expressief teken, positief, een beetje cliché misschien, maar ik vind het leuker dan een vuist – die is te agressief.”

Je favoriete handeling (iets wat je met je handen doet)?

Quinten Torp: “Kribbelen. Of schilderen. Of een fietsstuur vasthouden. Er zijn zoveel dingen.”

De kenmerken van je handschrift?

Quinten Torp: “Afschuwelijk lelijk en onleesbaar. Ongeduldig ook – ik schrijf weinig met de hand, dan neem je er geen tijd meer voor. In de digitale wereld telt een handschrift minder. Maar als ik een titel op papier schrijf, probeer ik dat wel fatsoenlijk te doen.

Mijn signatuur is QT, in elkaar verweven, als een icoontje. Mijn echte handtekening vind ik niets.  QT komt van Quinten Torp. Die naam ben ik beginnen gebruiken toen ik nog zelf een galerie had. Ik vond het moeilijk om onder mijn eigen naam, Geert Mullens, te werken als galerist én kunstenaar. Mijn moeder heette Quintens – van haar heb ik het artistieke. Ze is overleden toen ik elf was. Dat werd in die tijd doodgezwegen. Mijn kunstenaarsnaam is een hommage aan haar. En ‘Quinten Torp’ vind ik goed klinken. Ik maakte ook een reeks rond het idee van de ‘Torpedo’ – iets wat je niet ziet aankomen, maar toch een grote impact heeft. In positieve zin dan, een gevoel dat je overvalt. Het fijne is dat ik daardoor in de derde persoon over mezelf kon spreken. In het begin was ik nog onzeker, dat hielp. De naam is gebleven.”

Het ergste wat je handen ooit is overkomen

Quinten Torp: “Ik heb me eens diep gesneden in een vinger met een broodmes. Dat was het ergste.”

Iets wat je ooit rechtstreeks met je handen of vingers hebt geschilderd of gemaakt?

Quinten Torp: “Geschilderd niets. Gemaakt wel, ik heb ooit een beeldje uit was gekneed met mijn handen. Bovenaan modelleerde ik een kopje. Het was een mooi figuurtje waarin een afdruk van mijn hand zat,  maar het is gesneuveld.”

Als je je handen mocht ruilen met die van een andere kunstenaar, met wie zou dat zijn?

Quinten Torp: “Ik plak er geen naam op, maar ik zou wel willen wisselen met die van een virtuoze pianist. Om meteen te kunnen beginnen spelen, zonder jaren oefenen. Ik  ben een beetje jaloers op muzikanten – zij kunnen zo direct emoties overbrengen. Ik had het willen proberen, maar mis de discipline. Mijn broer is een goede muzikant. Het is mooi om muzikanten aan het werk te zien – de interactie, het samenspel. Als schilder leef je vrij eenzaam. Ik schilder altijd alleen. Ook fietsen doe ik niet in groep. Dat samenwerken lijkt me geweldig, maar tegelijk zoek ik ook zelf het isolement op. Het is dubbel.”

Van welke levende kunstenaar zou je graag de handen eens vastnemen?

Quinten Torp: “Francis Alÿs. Die man is zo integer. Wat hij doet, vind ik subliem. Zijn hand vasthouden – daar zou ik me niet slecht bij voelen.”

Welke helden of heldinnen uit de kunstgeschiedenis draag je op handen?

Quinten Torp: “Goya (2). Sowieso. Tijdens mijn opleiding vrije grafiek kwam ik in contact met zijn etsen. Ik heb ze nagetekend om zijn arcering en zijn gebruik van Aquatint beter te begrijpen. Als je kopieert, kijk je helemaal anders. Ik maakte er mijn eindwerk rond. Hij is een van de grondleggers van de moderne kunst. De expressiviteit in zijn zwarte schilderijen vind ik nog altijd indrukwekkend, en dat hij dat kon combineren met zijn positie als hofschilder, fascineert me ook. Gustave Courbet vind ik ook een prachtige schilder, ook hij heeft het verschil gemaakt. Als Belg en als schilder wil ik toch ook Luc Tuymans noemen. Zeker in de jaren 1990 is hij baanbrekend geweest voor de schilderkunst, niet alleen bij ons. Er zijn er nog veel natuurlijk.”

Iets waaraan je als kunstenaar je handen niet wil vuilmaken?

Quinten Torp: “Iets in opdracht maken, aanpassingen maken aan mijn werk, dat doe ik niet. Als mensen me komen vertellen dat ze een bepaald werk graag groter of anders willen, dan gaan mijn tenen krullen. Ik kan best begrijpen dat er kunstenaars zijn die dat doen, maar dat is niet het soort kunst dat ik wil maken.  Mijn schilderijen zijn van mij, en dat wil ik ook zo houden, ik kan daarin geen toegevingen doen. Mensen kunnen het werk natuurlijk kopen, maar dan kopen ze een stukje van mij, bij wijze van spreken.”

Wanneer heb je laatst nog gefietst zonder handen?

Quinten Torp: “Vorige week zondag.  Met mijn gewone koersfiets als wielertoerist.”

Heb je een gat in je hand?

Quinten Torp: “Nee.”

Ben je wel eens zwaar op de hand?

Quinten Torp: “Ja. (Lacht). No comment.”

Iets waarvoor je een betere handleiding zou wensen?

Quinten Torp: “Soms zou ik wel een betere handleiding voor het leven willen. Maar die heeft niemand – dat is het net. Je moet die zelf schrijven. Dat is mooi, maar ook moeilijk. Vroeger hadden mensen een soort handleiding via godsdienst, met vrij duidelijke richtlijnen over goed en kwaad. Nu moet je dat zelf bepalen. Dat is een vrijheid, maar het maakt het ook ingewikkelder. Je kunt alles van twee kanten bekijken.”

Houd je nog een goede vraag of opmerking achter de hand om af te ronden?

Quinten Torp: “Misschien iets over handschoenen – dat mis ik nog. Handschoenen beschermen tegen kou, tegen ruw werk, tegen snijwonden. Of je kunt ermee boksen: dan beschermen ze je handen ook. De voetbalhandschoenen van een keeper maken de handen groter,  het zijn een soort verlengstukken.  Dat idee van een omhulsel of verlengstuk vind ik interessant.  Handen kun je trouwens ook nog zien als een verlengstuk van de taal. Als mensen bellen, bewegen hun handen mee. Je kunt aan hun gebaren zien op welke toon ze spreken. Ik merk dat ik nu ook met mijn handen praat.”