Jules De Bruycker-Handen onder het brilglas

In het MSK in Gent loopt tot eind juni een tentoonstelling met maar liefst 150 tekeningen van de Gentse tekenaar en etser Jules De Bruycker. Zijn dat dan 300 handen om iets over te vertellen? Neen, het zijn er veel meer, want hij kiest als onderwerp vaak straat- en markttaferelen, drukke kermissen of  carnavalsoptochten. Hij tekent niet alleen krioelende volksmassa’s, hij geeft ze weer tot in het kleinste detail. Zelfs de piepkleine handjes van de kleinste figuren kun je met een vergrootglas nog onderscheiden: ze zijn verbazend goed uitgewerkt. De aders, spieren, knoken, huidplooien, rimpels,  — je ziet het allemaal voor je.

Handen van marktvrouwen, werkmannen, muzikanten en alcoholisten. Handen die aardappelen schillen, lompen herstellen, naar rommel grabbelen, een sigaar vasthouden, of een pijp, een glas, een wandelstok, een protestbord of een penseel. De handen van de bedelaar of die van de kunstenaar.
Hij tekent handen oud en uitgemergeld, maar ook stevige kolenschoppen, met lange verzorgde nagels of korte afgeronde. Hij heeft een opvallende neiging om handen uit te vergroten. Vaak met lange, slanke vingers, vaak ook gekromd of verkrampt — een beetje vogelklauwachtig. Je zou een heel leven van die handen kunnen aflezen.

Of kunnen we ook iets helemaal anders lezen? En welke bril moeten we daar dan voor opzetten?

Ik mocht langsgaan bij emeritus professor Ronald Soetaert, die zich al enkele jaren in het werk van De Bruycker verdiept. Hij werkt aan een boek, en denkt graag hardop mee. Het eerste wat hij me meegeeft: je kunt De Bruycker bekijken met veel verschillende brillen. De kunsthistoricus, de criticus, het publiek, de kunstenaar zelf — ze kijken telkens vanuit een ander perspectief. Je kunt ook kijken vanuit een interesse in volkscultuur, architectuur of Gentse stadsgeschiedenis. Zelf vindt hij het interessantste om ‘retorisch te kijken’: “Je zet een bril op de brillen”, legt hij uit.

Op basis van ons gesprek vat ik hieronder enkele inzichten samen. Ik maakte hierbij – met zijn toestemming uiteraard – ook rijkelijk gebruik van zijn notities.

Handen in de kunst

In de beeldende kunst keren handen steeds weer terug – niet alleen als  technische uitdaging (“een proeve van handigheid in de meest letterlijke zin”), maar ook als beladen symbool. In zelfportretten krijgen ze een bijzondere plek: ze tonen niet enkel een beeld van het lichaam, maar ook een zelfbeeld. Wie als kunstenaar zijn eigen hand tekent, laat méér zien dan een anatomische vorm. De hand is tegelijk werktuig en symbool van het métier. Door zijn hand te tekenen toont en positioneert de kunstenaar zichzelf als vakman, denker of bezield tekenaar. Dat geldt ook voor de vele zelfportretten van Jules De Bruycker. Handen spreken, zoals ook het gezicht, de oogopslag spreekt. De hand toont de kwetsbaarheid, de ouderdom, de precisie, en soms ook de vermoeidheid.

Professor Soetaert voelt zich in het bijzonder aangesproken door de humor en milde ironie waarmee Jules De Bruycker zijn zelfbewustzijn als kunstenaar altijd weer relativeert.  De Bruycker kijkt met een bril, maar onderzoekt die tegelijkertijd. En precies daarin schuilt zijn ironie – een humor die zichzelf mee bekijkt.

We buigen ons over twee werken die hij heeft uitgekozen om de retoriek van de handen te bespreken.

Zelfportret “Coppenoleke” (1)

We zien Jules diep voorovergebogen over een blad papier aan zijn werktafel zitten, omringd door boeken, flessen, een extra bril, een Boeddhabeeld op de achtergrond. Zijn atelier lijkt wel een laboratorium.  Zijn gezicht straalt concentratie uit, zijn handen zijn gespannen: de ene tekent, de andere klemt krampachtig het papier vast, in een haast dierlijke greep, alsof zijn werk een prooi is. Opvallend is dat hij met zijn linkerhand tekent, misschien omdat hij zijn spiegelbeeld tekent – of omdat het om een ets gaat. Het geheel is intens, maar niet zonder humor. De kunstenaar lijkt zichzelf te portretteren als een soort bezetene – een maniakale figuur die zijn ambacht extreem toegewijd is.  Ondanks de ernst heeft het portret ook iets karikaturaals. Hij verdedigt zijn métier maar parodieert tegelijk het cliché van de bevlogen kunstenaar.

De titel van het werk versterkt dat: Coppenoleke, een verwijzing naar de Gentse volksleider Jan van Coppenolle, bekend om zijn opstandigheid. Plaatst De Bruycker zich ironisch in een traditie van dwarse Gentenaren door zichzelf zo te noemen? De betekenis is niet helemaal duidelijk. Onder het portret lezen we: “à Mr le Dr L. Bontempshardt son vieil malade reconnaît 1937”. Een zieke, dankbare patiënt – die nog steeds tekent. De ernst van het zelfportret wordt opnieuw met een knipoog ondergraven. De handen tonen niet alleen ijverige arbeid, maar ook zelfrelativering.

De bedelaar met de naam (2)

Een zittende man, het hoofd gebogen, de handen open en uitgespreid – alsof hij zijn eigen handen onderzoekt. En wij kijken mee. De Bruycker regisseert onze blik: van bovenaf, maar zonder op hem neer te kijken. Zijn hoofd en handen zijn gedetailleerd uitgewerkt, de rest van het lichaam blijft vager. Opvallend is de witte ruimte rondom hem: geen straat, markt of kerk. Dat vormt een uitzondering in De Bruyckers werk. Hij kiest hier voor een uitgepuurde voorstelling. Wat niet bijdraagt aan de betekenis, laat hij weg. Een retoriek van het essentiële.

De Bruycker heeft deze anonieme bedelaar meermaals getekend en gaf hem zelfs een naam, Jacobus Alyn. Waarom juist deze figuur? Staat hij symbool voor iets groters? De handen staan centraal in het beeld. Wat vertellen ze? Dat blijft open. Soetaert herinnert eraan hoe de betekenis afhangt van de bril die we opzetten. Willen we kijken met de blik van de bedelaar zelf, de blik van de kunstenaar of nog een andere bril? Met een kunsthistorische bril kijken we misschien naar tekenstijl en traditie: is dit een realistisch portret, is het naturalistisch, impressionistisch, symbolistisch, is het een sociale aanklacht? Is er invloed van Rembrandt, Goya, Daumier, Kollwitz, Schiele? (Opmerking “en passant”:  De Bruycker kreeg nauwelijks een plaats in de kunstgeschiedenis en werd ook vergeten door de kunstkritiek).

Soetaert stelt dat De Bruycker fundamenteel humoristisch naar de wereld kijkt. Maar is dat ook evident bij dit beeld van een arme drommel met ‘houten benen’ die naar zijn grote handen staart? Toch wel, het werk straalt melancholie uit, maar in de houding van de bedelaar zit ook iets tragikomisch. De Bruycker kijkt met mededogen én milde spot. Zit de ironie niet ook in de ernst waarmee hij deze man afbeeldt? De houding is bijna sacraal. Een bedelaar als filosoof. Een Boeddha in Gent? Professor Soetaert verwijst hier naar het stijlmiddel perspective by incongruity: het naast elkaar plaatsen van elementen uit verschillende waardesferen. Door deze eenvoudige man op zo’n verheven manier te tekenen, dwingt De Bruycker ons tot een andere blik: een andere lezing. Of, in de kernachtige woorden van Ronald Soetaert: “Je kijkt met een bril, en je kijkt naar een bril.”

Met dank aan Emeritus Professor Ronald Soetaert