Ik heb Marcus Daniëls (1960–2026) zelf nooit gekend. Maar toen hij enkele maanden geleden onverwacht overleed en ik voor het eerst zijn intrigerende zelfportret zag, kreeg ik meteen spijt dat ik hem niet meer voor HAUTLESMAINS zou kunnen interviewen.
Het verraste me dat zijn gezicht me zo vertrouwd leek: ik zag er trekken in van zijn zus, HAUTLESMAINS-fotografe Marleen Daniëls. Maar het zelfportret trof me vooral door de geladenheid. Een intense, directe blik die je niet zomaar loslaat. De lichte asymmetrie van de verfijnde, amandelvormige ogen geeft het gezicht iets melancholisch en mysterieus. Een mooie spanning tussen kracht en zachtheid. Ook de donkere achtergrond voegt iets toe. Links zie je een blauwe spiraalvorm. Rechts een sterrenstelsel met rood vuur. Vanuit die verre kosmos lijkt het vuur bijna letterlijk zijn hoofd te raken. Dat geeft het portret iets mysterieus en symbolisch. Bijna iets spiritueels. Ook compositie, kleurcontrasten, licht en schaduw zijn technisch knap en visueel overtuigend.
Ik nam me voor om -met de toestemming van Marleen – in HAUTLEMAINS een bescheiden hulde te brengen aan deze kunstenaar in hart en ziel. Het is meteen ook een eerbetoon aan de vele kunstenaars die we om de een of andere reden nooit leren kennen, ook al zegt dat weinig over hun talent of hun gedrevenheid.
Marleen vond in haar archief enkele foto’s van haar broer waarop zijn handen te zien zijn. Op de ene houdt hij een gerolde sigaret tussen de vingers en kijkt hij naar het portret van een overleden vriend. Het krap afgesneden hoofd, met de lichte profielwending tegen een achtergrond van blauwe hemel en witte wolkjes, doet me een beetje denken aan portretten van Memling of Bellini. Maar de blik brengt een heel andere relatie tot stand tussen geportretteerde en kijker. Een van de wolken heeft de vorm van een orchidee aangenomen.
Op de tweede foto houdt hij een fijn penseel in zijn schilderende hand. Opnieuw vallen de wolken op: eentje heeft zelfs de vorm van een doodskop. Ook dit werk, vol symboliek, droeg hij op aan een overleden vriend. De schaduw van een boom valt op het idyllisch gelegen ‘Huis van Mo’, maar de boom zelf is afgehakt.
Ik wilde graag enkele getuigenissen sprokkelen over deze getalenteerde man, die zoveel belang hechtte aan wolken. Zowel vrienden uit zijn dichte omgeving als mensen die hem als kunstenaar aan het werk hebben meegemaakt, typeren hem als een Einzelgänger. Hij was niet alleen een outsider in de kunst, maar ook als persoon.
Keramiste Carine Grosemans schreef voor zijn uitvaart een ontroerende, persoonlijke tekst waaruit ik enkele zinnen citeer: “Als Marcus met zijn sigaretje aan de overkant van de tafel zat, herkende ik de soevereine vrijdenker. Een soevereine vrijdenker is per definitie een mentale nomade. Je arriveert nergens. Niet echt. En, hoe omringd ook door liefhebbende dierbaren, in wezen blijf je een eenling.”
Joannes Kesenne, die instond voor de psychologische begeleiding in het sociaal-artistieke atelierproject ARTISIT, dat stereotiepe beeldvorming over kunstenaars met psychische kwetsbaarheid wilde doorbreken, leerde Marcus er slechts korte tijd kennen. Dat was evenwel genoeg om een blijvende indruk op hem te maken. Hij laat weten dat Marcus er in de gemoedelijke omgeving van ARTISIT uitsprong: “Hij schilderde technisch stukken beter dan de anderen. Terwijl andere atelierkunstenaars het meer van vrije creativiteit en ingevingen moesten hebben, beheerste hij het vak. Hij stond erop met olieverf te schilderen, bracht zijn eigen verf en doek mee en was de enige die thuis verder werkte aan zijn schilderijen. Het enige wat hij vroeg, waren drie penselen: geen varkenshaar, maar marterhaar.”
ARTISIT was gericht op deelname aan tentoonstellingen en projecten. Om de deelnemers te motiveren, werd regelmatig een thema voorgesteld om rond te werken. Marcus nam in 2014 onder meer deel aan de tentoonstelling Bloed in Alden Biesen, waarvoor begeleiding door sleutelfiguren uit de kunstwereld mogelijk werd gemaakt. Hij ging hiervoor in dialoog met Koen van den Broek. Onder de noemer ‘Bloed en schrifturen’ werden hun werken samen getoond. In de tentoonstellingspublicatie is te zien hoe ze elkaar versterken.
Maar doorgaans had Marcus helemaal geen thema nodig. “Hij bleef altijd trouw aan zijn eigen verhalen en eigen wereld: vooral landschappen met een surrealistische toets”, verduidelijkt Kesenne. Hij herinnert zich Marcus als een “in se stille, gevoelige, wat gereserveerde man, die zich niet voelde passen in de groep. Ineens is hij dan weggebleven.”
Anderen omschrijven hem als “een wilde kastanje, een harde bolster met een zachte kern”.
Marleen vertelt dat hij niet in optimale omstandigheden werkte: hij maakte groot werk in een kleine ruimte. Hij dacht voortdurend na over zijn werk en was erg perfectionistisch. Hij besteedde vaak veel tijd aan zijn schilderijen: alles werd tot in de kleinste details uitgewerkt. Als ik haar vraag of ze een specifieke herinnering aan zijn handen heeft, vertelt ze dat hij met beide handen kon schilderen. Dat was een erfenis uit de lagere school, waar hij verplicht werd om met zijn rechterhand te schrijven. Zijn linkerhand werd op zijn rug vastgebonden.
Ik wil nog wat langer stilstaan bij zijn werk, de belangrijkste reden voor mijn eerbetoon.
Zijn technische beheersing komt tot uiting in uiteenlopende onderwerpen, met een opvallende voorkeur voor wolken, de Melkweg en landschappen, maar ook voor gedetailleerde interieurs met een moeilijk perspectief. Hij hield van verborgen beelden: een wolk die een schedel verbergt, een mistsliert die een naakte vrouw suggereert, een tornadoachtige waterhoos waarin een gezicht of ander beeld verschijnt. Veel van die elementen wijzen op een persoonlijke, niet altijd toegankelijke associatieve beeldtaal en symboliek: een innerlijke droom- of fantasiewereld die zich niet zomaar laat ontsluiten, maar je wel weet te grijpen.
Spontaan komt ook een link met het surrealisme op. Net als de surrealisten schilderde Marcus zijn taferelen met uiterste precisie, met gedetailleerde elementen zowel op de voorgrond als in de achtergrond. In zijn grote werk The Gate zijn de olifant en het schip in de verte even minutieus uitgewerkt als het ragfijne spinnenweb, de rozenstruik en de kraai op de poort.
Hij gebruikte een loepzuivere, bijna hyperrealistische stijl om droomachtige of bovennatuurlijke beelden reëel en overtuigend te doen overkomen. Luc Tuymans, die hem op een ARTISIT-tentoonstelling ontmoette, omschreef dat als “cartoonachtig”. Tegelijk suggereren de vloeiende, kronkelende en wervelende vormen een ongrijpbare energie, alsof er achter het zichtbare nog een andere werkelijkheid schuilgaat.
Marleen vertelde me het droevige verhaal over hoe zijn zelfportret verloren ging. Toen de Maas overstroomde, reed hij naar de plaats van de ramp omdat hij wilde helpen. Hij had het schilderij meegenomen, mogelijk om het te verkopen en de opbrengst aan de getroffenen te schenken. Zijn goede bedoelingen werden gedwarsboomd toen hij ter plaatse niet tot de getroffen zone werd toegelaten. Daarna werd nooit meer iets van het schilderij vernomen.
Dat er alleen nog een foto van het werk lijkt te bestaan, maakt de publicatie op HAUTLESMAINS des te betekenisvoller. Wie weet kan een lezer de nabestaanden alsnog op het spoor van het schilderij brengen? Zijn werk verdient het om door een groter publiek gezien te worden.