„Iedereen zou minstens één keer per dag de handen vuil moeten maken.” Woorden van Felicia Kentridge, de moeder van William Kentridge. Zij was advocate en mensenrechtenactiviste en nam het in Zuid-Afrika tijdens de apartheid op voor onderdrukte burgers. Tijdens zijn lezing in Bozar, waar hij in het seizoen ’26-’27 als eerste Grand Invité optreedt, haalde Kentridge haar uitspraak aan. „Ze had allerlei leefregels die ze als vanzelfsprekende waarheden verkondigde”, vertelde hij. Die ene leefregel heeft hij alleszins ter harte genomen. „Ik ben daar heel goed in”, voegde hij er met een glimlach aan toe.
Wie zijn werk een beetje kent, moet niet lang zoeken wat hij daarmee bedoelt. Zijn naam is onlosmakelijk verbonden met houtskool, een smerig goedje voor wie niet van vlekken houdt, maar een fantastisch medium in zijn handen. Hij kan er een beeld mee tekenen, maar de lijnen vervolgens ook weer uitvegen of verzachten, stukken wissen en er opnieuw overheen tekenen. „Houtskool biedt de mogelijkheid tot transformatie, maar laat ook sporen na. Het biedt de mogelijkheid om de wereld niet zozeer te begrijpen als een gegeven, maar als een proces”, aldus Kentridge.
Dat procesmatige is een essentieel kenmerk van zijn werk en krijgt ook veel nadruk in de grote Bozar-tentoonstelling I am not me, the horse is not mine. De tentoonstelling begint en eindigt met ruimtes die zijn atelier in Johannesburg, „een plek van onafgebroken productie en herwerking”, tot leven brengen.
De wereld van Kentridge is er een waarin niets helemaal vastligt en beelden voortdurend veranderen. Dat werd al duidelijk toen hij in de jaren 1990 zijn animatiefilms met houtskooltekeningen begon te maken. Hij filmde alle opeenvolgende bewerkingen van een tekening op eenzelfde blad en liet zo de tekening als het ware zelf bewegen. De filmanimaties groeiden later uit tot video-, theater- en operaproducties.
Ook in de titel van de tentoonstelling, I am not me, the horse is not mine, klinkt iets door van Kentridges atelierpraktijk. Hij is ontleend aan een gelijknamige videoinstallatie uit 2008 en gaat terug op een wat absurdistisch oud Russisch spreekwoord dat min of meer neerkomt op het Nederlandse ‘ik weet van niets’. Curator Tarek Abou El Fetouh ziet er ook een allusie in op de sterke samenwerkingsgeest van Kentridges praktijk. De kunstenaar benadrukt dat het auteurschap van zijn projecten niet alleen bij hem ligt, maar ook bij zijn medewerkers: acteurs, muzikanten, zangers, ontwerpers, monteurs en technici.
Tegelijk wijst Kentridge erop dat het tekenen, wat hij altijd alleen doet, aan elke samenwerking voorafgaat. Zijn atelier is een denkplek waar hij niet alleen met zijn hoofd, maar ook met zijn handen denkt. Hij vertrekt niet van een perfect idee dat al vooraf in zijn hoofd bestaat. „The drawing has to know more than the artist. Otherwise there’s no point”, zei hij op de persopening in Bozar. „Not knowing what to do” hoort voor hem bij het creatieve proces. Het denken ontstaat tijdens het bewegen van de hand.
Op de persopening had de kunstenaar zich comfortabel geïnstalleerd in een clubfauteuil in een van de tentoonstellingszalen om enkele vragen te beantwoorden, maar werd meteen omsingeld door veel te veel journalisten. In die omstandigheden vond ik het toch wat gênant om hem ook nog eens met handenvragen aan de mouw te trekken, ook al bleek hij het geduld en de beminnelijkheid zelve.
Ik beperkte me daarom tot een bescheiden vraagje, waarop hij gevat reageerde.
Meneer Kentridge, beleeft u er na vier decennia nog altijd evenveel plezier aan om zoveel uit de vrije hand te tekenen, met uw handen bedoel ik?
William Kentridge: „Ja, het blijft heel fysiek, heel manueel. Mijn dochter noemt het altijd ‘halfgeschoolde handarbeid’.”
CM: En vat u dat dan op als een compliment?
William Kentridge: „Ja, hoor, dat is prima. Ik ben gelukkig als halfgeschoolde handarbeider.”
William Kentridge, I am not me, the horse is not mine, tot 27 maart ’27 in Bozar
Foto’s: Marleen Daniëls