Vroeger kon ik heel goed op mijn handen staan

Interview met Amber Andrews

Het werd hoog tijd voor weer wat leven en kleur op HAUTLESMAINS. En met de Antwerpse kunstenares Amber Andrews (°1994) kunnen we het niet beter treffen. Ze maakt niet alleen opvallend kleurrijk en levendig werk, ook als persoon komt ze energiek en vastberaden over. “Niets is zo erg als een slap handje,” zegt ze halverwege ons gesprek, met een mengeling van afkeer en oprechte verontwaardiging. Voor een slap interview hoeven we met haar zeker niet te vrezen. Amber trakteert ons op enthousiasme, inspiratie, regelmatig een schaterlach en vooral veel warme, ontwapenende naturel.

Ze is een gretige verzamelaarster, en dat merk je aan alles in haar atelier. De ruimte is niet zo groot, maar er valt wonderlijk veel te zien. In, op en rond haar volle kasten staan allerlei kringloopvondsten: van porseleinen vaasjes met oosterse motieven, theepotten in de vorm van cottagehuisjes tot hondjes. Aan de muur hangt een fascinerende verzameling kunstafbeeldingen: vrouwenlichamen, haartooien, een poes, een skelet, werk van Hieronymus Bosch, Picasso, Manet. Ze houdt ook een aardige collectie kunstboeken binnen handbereik. Zelfs haar handen verraden een lichte drang tot verzamelen: ze draagt vijf ringen.

Wie haar werk een beetje kent, komt vanzelf in de verleiding om verbanden te leggen tussen deze eigenzinnige omgeving en haar beeldende werk. Dat op zich zou al stof genoeg zijn voor een boeiend interview, maar met HAUTLESMAINS willen we vooral alles weten over handen.

Goed gekozen tinten

De handen springen in Ambers schilderijen en oliepastelwerken echt wel in het oog. Eerst vielen ze me op door de ongewone kleuren: de ene roze, de andere blauw, nog een andere met een groenige schijn – heel andere tinten dan de rest van het lichaam. Door de handen aandachtig te bekijken, zag ik beter hoeveel bewuste keuzes ze als kunstenares maakt. Het maakte me opmerkzamer voor haar kleurgebruik, contrasten, licht en schaduw en compositie.

Hoeveel belang hecht ze zelf aan de weergave van handen?

Amber Andrews: “Ik houd echt van handen. Ik neem mijn tijd om ze uit te werken. Al verbaast het me soms in hoe weinig penseelstreken een goede hand tot stand kan komen. Met een paar goed gekozen tinten kun je snel naar de juiste vormelijkheid en balans gaan: de hand krijgt genoeg aandacht zonder het hoofdonderwerp te worden. Op het moment dat ik eraan werk, let ik er echt wel op. Maar daarna krijgen ze als onderwerp hun plaats in een schilderij. Er zit nog zoveel ander beeldmateriaal in die beelden.”

Beweging en spanning

Ze schildert vaak vrouwelijke figuren die balanceren tussen realisme en fantasie, tussen figuratie en verbeelding. Soms lijken de handen in een scène een eigen leven te leiden, los van het lichaam van hun eigenares. “Ja, ik gebruik in mijn werk ook wel vaak een hand op zich,” bevestigt ze. “Ik mag niet zeggen ‘afgehakt’, maar eerder afgietsels zoals in leerscholen, waar ze als studieobject dienen. Door een hand te integreren, krijgt een werk onmiddellijk iets fysieks, een gevoel van beweging. In sommige gevallen verwijzen bepaalde gebaren ook naar iets wat gezegd wordt. Je kunt in een schilderij kiezen hoe je de hand plaatst, hoe je de vingers zich tot elkaar laat verhouden, en zo kun je zelfs al spanning creëren.”

Een prachtig voorbeeld met geslaagde handenintegratie is haar schilderij Your Nightmares Follow You Like a Shadow (2021). Een bleke vrouwenfiguur ligt naakt op een smal bed, verdiept in een boek. Het lijkt alsof handen vanonder het bed naar haar grijpen. Of zijn dat slechts schaduwen? Haar handen houden het boek boven haar gezicht en werpen blauwe, groene en zwarte schaduwen op de omgeving. Het silhouet van een zwarte kat op de voorgrond en vleermuizen in de nacht versterken de sfeer. Leest ze een horrorverhaal? Vlucht ze in haar boek uit angst voor nachtmerries? Zoals bij een droom kun je de scène op verschillende manieren proberen te duiden.

Een ander mooi voorbeeld is Mother Weeping (2023), waarin juist de afwezigheid van een hand onmiddellijk opvalt. De rechterarm van een naakte, liggende vrouw is ‘afgehakt’. De vrouw is er slecht aan toe. De verschrikkingen waarmee ze kampt, worden gesymboliseerd door doodshoofden, een dode vogel, een vluchtelingenboot, tenten, muren en een overstroming. Het geheel vormt een soort allegorische voorstelling van moeder aarde. Gekweld door oorlog, geweld en natuurrampen wordt ze een hedendaagse versie van de lijdende Madonna uit de kunstgeschiedenis.

Losse breinen

Amber vertelt dat handen haar al tijdens haar tweede bachelor aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen inspireerden. Ze maakte toen een werk over dat thema, dat nu bij haar ouders hangt. “Je gebruikt ze als je liefhebt, als je kwaad bent: alles zit erin. Ze zijn als twee losse breinen die nog ergens aan je lichaam hangen. Zeker als schilder of kunstenaar: de handen zijn ons brein. Ze zijn niet alleen machines die iets doen of maken; er zit kwaadheid, liefde, schoonheid in. Ze tonen emoties, maken zichtbaar wat je voelt.”

Schilderen komt voor haar meestal als een automatisme. Zodra ze het atelier binnenstapt, nemen haar handen het over: de verwarming aan, het water open, beginnen schilderen. “Als ik mijn palet moet voorbereiden en tubes uitknijp, weet ik al dat mijn handen vol verf zullen hangen,” lacht ze. Een tijdlang probeerde ze dat te vermijden met latexhandschoenen. “Maar die moesten dan wel goed aansluiten.”

Ze herinnert zich een filmpje van Neo Rauch waarin hij schildert met dikke werkhandschoenen: “Stijf en dik van de verf, bijna als adelaarsklauwen. Ik vroeg me af hoe iemand zó verfijnd kan schilderen met zo weinig gevoel in de vingers. Voor mij zou dat niet werken. Ik heb nood aan het gevoel dat ik mijn handen nog in de hand heb” (lacht).

Je hoeft volgens haar niet per se handig te zijn om goed werk te maken. “Misschien wel als houtbewerker, maar in het kunstenaarschap kunnen op een onhandige manier ook mooie dingen ontstaan. Falen en mislukken horen erbij. Ik zou mezelf niet onhandig noemen, maar ik weet dat er kunstenaars zijn die dat wel van zichzelf zeggen en toch sterk werk maken.”

Je favoriete handen in het leven?

Amber Andrews: “Die van mijn mama. Ik kan me nog goed herinneren dat ik daar als kind echt gefascineerd door was. Door wat ze ermee deed: hoe ze voor ons zorgde, maar ook door de vorm: hoe ze eruitzagen. Ze droeg nooit ringen of nagellak, ik heb haar daarmee nooit gezien, en toch vond ik haar handen elegant en verfijnd. Daarnaast is ze ongelooflijk handig. Ze kan naaien, breien, tuinieren, koken, echt alles. Als je haar iets vraagt om te doen, dan kan ze dat. Mijn papa trouwens ook; ik denk dat ik van beiden heb meegekregen dat ik graag met mijn handen bezig ben. Vroeger dacht ik altijd: ‘Ik wil ook zulke handen met slanke vingers, zoals mijn mama’ (lacht). Maar uiteindelijk heb ik toch een beetje meer die van mijn papa.”

Je favoriete handen in de kunst?

Amber Andrews: “Moeilijke vraag. Ik weet niet waar te beginnen. Als ik één iemand moet noemen, dan Louise Bourgeois. Ze heeft me enorm geïnspireerd, en ze werkt ook vaak met handen.”

Je best herinnerde filmscène waarin handen voorkomen?

Amber Andrews: “Ik heb er een paar. In Thelma & Louise (1)  (over twee vriendinnen die op een roadtrip gaan om de alledaagse sleur te doorbreken) is er een moment waarop ze elkaars handen op een heel krachtige manier vastnemen. Ze zitten in de auto en ze zijn on the run. Ik vind dat echt een mooi sisterhood-moment.

In Jeanne Dielman van Chantal Akerman (2)  (over het routineuze leven van een Brusselse huisvrouw) wordt niet echt op de handen zelf gefocust, maar op het dagelijkse, het repetitieve. Het is zo mooi om te zien hoe belangrijk je handen zijn om al die dingen te kunnen uitvoeren.”

Een boek of een mooi verhaal waarin handen voorkomen?

Amber Andrews: “Het boek van Bruno Munari: Supplement to the Italian Dictionary  (3) (een inventaris van gebaren die Italianen gebruiken als aanvulling bij het Italiaanse woordenboek). Zalig als je op vakantie gaat in Italië: je hoort ze wel praten, maar tegelijk zijn ze ook de hele tijd bezig met hun handen.”

Je favoriete citaat, titel, uitdrukking of gezegde waarin handen voorkomen?

Amber Andrews: “Ik heb er twee gekozen. Eén daarvan is ‘Hands have no tears to flow’ van Dylan Thomas. Tranen zijn een teken dat je kunt loslaten, afgeven, verwerken. Als je dat niet kunt, lijkt het alsof je alles letterlijk vasthoudt: alle aanrakingen, zorgen, pijn, maar ook blijheid en liefheid, allemaal opgeslagen in je handen. Dat vind ik een mooie gedachte bij die ene zin.

De andere is van Louise Bourgeois: ‘I’m not what I am, I am just what I do with my hands.’ Dat is gewoon de nagel op de kop voor een kunstenaar. Ik hoor het haar ook zeggen, altijd zo kwaad.” (Ze imiteert een norse Louise Bourgeois met een zwaar Frans accent en proest het uit).

Je favoriete handgebaar?

Amber Andrews: “Dat vind ik ook moeilijk, want dan moet ik me echt bewust zijn van wat ik allemaal met mijn handen doe. Ik hou wel hiervan. (Ze steekt haar wijsvinger op). Het kan van alles betekenen. Alertheid: van ‘opgepast, er komt iets’. Of kwaadheid. In de schilderkunst kan het ook nog andere dingen uitbeelden. Als je de vinger een beetje naar beneden richt, wordt het ineens iets katholieks. En dit, meer een teken, vind ik ook een goede. (Ze steekt lachend twee vingers op, alsof ze een sigaret vasthoudt): ‘Up yours’. Dat gebruik ik misschien toch het vaakst”.

Je favoriete handeling (iets wat je met je handen doet)?

Amber Andrews: “Ik hou veel van tuinieren: bloembollen planten, snoeien, boeketjes maken. Naast het schilderen en boetseren natuurlijk, wat ik ook met mijn handen doe. Haren kammen vind ik ook een mooie handeling.

Wat ik dan weer absoluut niet graag doe, is mijn penselen schoonmaken. Hatelijk. Ik stel het altijd uit, en dan zijn het er veel. Ik doe het in de palm van mijn handen, rondjes draaien met bruine zeep. Na een tijdje doet het pijn. Maar meestal vind ik het eerder heel leuk om met mijn handen bezig te zijn.”

De kenmerken van je handschrift?

Amber Andrews: “Mijn handschrift staat vaak onder druk van het tempo waarin ik werk. Ik denk dat ik wel vijf verschillende handschriften heb. Maar ik kan ook wel mooi schrijven. In het derde middelbaar moest ik vaak mijn cursussen laten inscannen voor kinderen die hun eigen notities niet meer konden ontcijferen.

Ik hou van handschriften waarin de ‘beentjes’ los staan. Vroeger kreeg ik veel kaartjes van mijn familie uit Engeland, ik ben half Brits. Mijn oma, bompa en tantes daar hadden allemaal prachtige handschriften. Ze kregen het schrijven echt wel anders aangeleerd, denk ik. Het had iets kalligrafisch. Ik bewaarde hun kaartjes gewoon omdat ze zo mooi geschreven waren. Ik wilde dat ook graag kunnen.”

Iets wat je ooit rechtstreeks met je handen of vingers geschilderd hebt?

Amber Andrews: “Er zijn schilders die misschien nooit hun doek aanraken, maar ik wel, zeker als ik geen vod bij de hand heb. Ik veeg vaak iets weg of wrijf verf op een bepaalde manier in, gewoon met mijn vingers. Als ik eraan denk om ze te kopen, gebruik ik latexhandschoenen.”

Het beste, vreemdste of moeilijkste dat je ooit met je eigen handen gemaakt hebt?

Amber Andrews: “Op de kunstbeurs LISTE in Basel toonde ik voor het eerst een volledige installatie (met de Parijse galerie Ciaccia Levi): She has universes and river beds (2023). Het was een complete slaapkamer, waarvoor ik veel verschillende materialen gebruikt heb zoals keramiek en afgietsels. Op de matras heb ik een geraamte in vilt genaaid en parels geappliqueerd. Dat heeft me ongelooflijk veel werk met mijn handen gekost.  Ik ben er echt wel trots op dat ik dat heb kunnen maken en dat ik mijn kunnen heb verlegd. Er is altijd wel weer iets dat ik níet kan en toch graag zou willen kunnen. Ik heb nooit leren naaien, maar dan denk ik: ik probeer dat gewoon. Ik zou ook graag kunnen houtbewerken of metaal lassen. Naast het schilderen zoek ik voortdurend nieuwe uitdagingen.”

Als je je handen mocht wisselen met die van een andere kunstenaar, wie zou dat zijn?

Amber Andrews: “Picasso is misschien een heel mainstream antwoord. Maar als je ziet hoe waanzinnig veel hij gemaakt heeft, dan moeten die handen toch echt wel onevenaarbaar zijn geweest. Vaak wordt Picasso te vanzelfsprekend genomen omdat hij de bekendste, de standaard is. Maar hij heeft ontzettend veel veranderd. Maar goed, ik zou evengoed Gauguin kunnen zeggen, die heeft ook nog op mooie eilanden gezeten (lacht). Of Brancusi. Ik heb zelf te weinig handen om te wisselen.”

Van welke levende kunstenaars zou je graag de handen eens kunnen vastnemen?

Amber Andrews: “Tracy Emin. Ten eerste heeft ze visueel heel goede handen, met een prachtige huidskleur, en ze draagt ook mooie gouden ringen. Ten tweede heeft ze waanzinnig veel verwezenlijkt voor vrouwen in de kunst, in de jaren negentig en 2000.

Ik zou liefst vrouwenhanden vastnemen. Dat vind ik wel belangrijk. Hier in België wordt aan iedereen een hand gegeven, ook als je iemand niet kent, maar er is een hand geven… en een hand geven. Niets is zo erg als zo’n slap handje. Daar krijg ik kippenvlees van. Zo’n lege huls, dat vind ik vies. Dan denk ik: hoe kán dat? Ik denk dat Tracy Emin een stevige hand zou geven.”

Welke helden of heldinnen uit de kunstgeschiedenis draag je op handen?

Amber Andrews: “Voor schilderkunst zou ik kiezen voor handen die iets kunnen met een ongelooflijke perfectie, met een geduld dat ik totaal niet heb. Een Vermeer, Hieronymus Bosch: heel verfijnde schilders. Bij hun werk denk ik: hoe kan dat uit je hand komen? Bij beeldhouwen zie ik Michelangelo of Bernini. Dat zou ik ook nooit kunnen. En dan hoor ik pianostukken van Satie of Chopin, en denk ik weer: wat moet het geweldig zijn om zulke handen te hebben. Ik zou absoluut niet kunnen kiezen.”

Iets waaraan je als kunstenaar je handen niet wil vuilmaken?

Amber Andrews: “Letterlijk vuil? Als kunstenaar heb ik dat niet, ik heb juist een groot verlangen om alles zelf met mijn handen te doen. Grafiek, etsen, lino’s, litho’s, zou ik misschien uitbesteden omdat ik dat niet kan, maar tegelijk zou ik het altijd ook willen proberen.

Of moet ik de vraag figuurlijk nemen? Ik zal nooit de kunstenaar zijn die maakt wat er van mij verwacht wordt. Dat werkt bij mij eerder averechts (lacht). Mijn eerste shows met oliepastelwerken liepen bijvoorbeeld keigoed. Er waren mensen die dachten dat ik dat zou blijven doen. Maar voor mij was het: ik heb dat nu gedaan, op naar het volgende. Wie nu nog zo’n werk wil… pech, je komt te laat. Ik probeer altijd een betere versie van mezelf te worden. Ik zou er niet gelukkig van worden als ik mezelf alleen maar zou herhalen. En dat is écht het belangrijkste: het moet leuk blijven. Niets is zo zalig als jezelf  te verrassen met iets dat je hebt gemaakt.”

Heb je een gat in je hand?

Amber Andrews:  “Als ik mijn mama moet geloven wel, ja. Ik ben geen goede spaarder. Schoenen, jassen, eten.  Maar dat is niet altijd, alleen als ik weet dat ik het me kan permitteren. Als ik het heb, dan mag het rollen. Maar zonder mezelf in de problemen te brengen.

Na een show koop ik graag een mooi kledingstuk. Onrechtstreeks wordt dat een mooie herinnering aan die specifieke show.”

Iets waarvoor je een betere handleiding zou wensen?

Amber Andrews: “Eh, ‘volwassen’ worden. Tussen aanhalingstekens. Want wat is dat? Je studeert af en ineens moet je alleen gaan wonen. Je moet gaan werken, want ja, wie gaat het anders betalen? Je moet je bezighouden met boekhouding, paperassen, financiën. Ik vind dat spijtig. Als kunstenaar wil je dat eeuwige kind in jezelf wakker houden. Picasso zei dat ook. Die onbezonnenheid, die frisse blik, die naïviteit waarmee je dingen opneemt, dat verdwijnt door rationaliteit. Een handleiding vind ik tegelijk wel iets om over te debatteren, want dat is iets wat je moet volgen, zoals het geschreven staat. Ik wil natuurlijk geen Ikea-handleiding voor het leven. Ik vind dat we als samenleving nu al veel te veel volgens een handleiding moeten leven. Niet alleen volwassenen, ook kinderen. Er is zo weinig vrijheid. Neem nu zwemmen. In het buitenland mag je in bijna elke gracht springen om verkoeling te zoeken als het in de zomer te warm is. Hier mag het niet. Ze willen je niet de verantwoordelijkheid geven om zelf te beslissen of je goed genoeg kunt zwemmen. Ik vind dat een probleem. Laat mensen toch gewoon zwemmen op eigen risico.”

Houd je nog iets achter de hand om af te ronden?

Amber Andrews: “Vroeger kon ik heel goed op mijn handen staan. Ik kon de hele turnzaal heen en weer wandelen in handenstand. Ze zeiden dat ik beter op mijn handen kon staan dan op mijn voeten. (Lacht) Keispijtig dat ik dat niet meer kan. Nu doe ik het alleen nog in het zwembad.”