De onderhuidse kaart in je hand

Interview met Joke Raes

“Ik ben ooit geboren op 6 december, niet met tien vingers, maar met elf,” zegt Joke Raes zodra we een plekje gevonden hebben om te praten in haar bomvolle atelier in het Klein Begijnhof in Gent. Ze lacht als ze mijn verbaasde blik naar haar handen opmerkt. “Symbolisch, hé. De elfde was een potlood.” De uitspraak komt van haar ouders, die dat soms zeiden omdat ze als kind zo graag tekende.

Ze kijkt even naar haar handen en vervolgt: “Mijn handen zijn fijn, maar met dikke knokels. Alles wat ik maak is fijn, daar kan ik niet omheen. En ik blijf zelf ook redelijk fijn, ook al eet ik heel veel,” voegt ze er nog lachend aan toe. In de loop van het interview zal die aanstekelijke lach nog vaak weerklinken.

Dat Joke fijn werk maakt, is zeker geen overdrijving. Veel van haar tekeningen, sculpturen en assemblages zijn verbluffend gedetailleerd en complex. Je blik verdwaalt in een wirwar van uitbundige lijnen en kronkels. Je verliest je in een weelderige tuin vol fascinerende, tere groeisels. Haar werk komt er nochtans niet in het wilde weg. Hoezeer haar organische beeldtaal ook een gevoel van natuurlijkheid en wildgroei oproept, de hand van de kunstenares bewaart de controle. Een fijne, maar ook vaardige, accurate en extreem geduldige hand.

Hoeveel tijd kost het die hand om zo minutieus te kunnen werken?

Joke vertelt dat ze op een punt in haar leven is aangekomen waarop ze veel nadenkt over tijd. De afgelopen jaren waren voor haar een periode van intense verandering. Als jonge mama, met weinig nachtrust,  kwam ze onder heel wat tijdsdruk te staan.  Waar ze zich vroeger volledig kon focussen op haar kunstpraktijk—waarin na haar postgraduaat aan het HISK alles in een stroomversnelling kwam—verdeelt ze nu haar tijd en aandacht tussen haar creatieve werk en een jong gezin met twee kleine kinderen. Een flinke uitdaging.

Keramiek, ‘haar grote dada’, kan een moeilijk medium zijn als er vaart komt in de carrière, verklaart de multidisciplinaire kunstenares. “Keramiek vertraagt. Het vraagt tijd. Je moet klei laten drogen. Voor mij is keramiek ‘back to basics’, terug naar de echte natuur. Het hele proces heeft een heel ander tijdsverloop dan bij andere disciplines. Mijn oven is hier nu bijvoorbeeld aan het stoken, maar voor hetzelfde geld is alles mislukt. Toch heb ik volgende week een deadline. Dus de handen mogen hard werken.” (Lacht)

Toen ze in 2017 de kans kreeg om zich als artist in residence eerst in het Europees Keramisch Werkcentrum in Nederland en vervolgens in Arita, Japan, verder te bekwamen in keramiek—en vooral porselein—begon ze al te merken dat het zwaar was voor haar handen.

Tintelingen

“Werken met porselein is voor de handen echt niet dankbaar.  De klei bevat gemalen mineralen die scherp zijn en schuren.  Je handen drogen uit bij langdurig contact. Mijn handen zijn heel gevoelig voor kloven. Als ik met klei werk, moet ik ze goed verzorgen.”

Ze noemt nog andere materialen waarvoor ze zich moet beschermen, door onder meer handschoenen te dragen. Maar de voorbije jaren moest ze vooral ook voorzichtig zijn met toxische stoffen.  Zo mocht ze tijdens haar zwangerschap niet met glazuren werken. “Dat had een grote impact op wat ik met mijn handen deed”.

Tekeningen zijn dan wel dankbaar, hanteerbaar en makkelijk: “Je legt je potlood neer en je bent klaar. Bij alle andere disciplines moet er doorgewerkt worden totdat het materiaal op is. Er kruipt ook veel meer tijd in het voorbereidende werk en het inpakken van het werk. Daarom is het ook interessant om met verschillende media te werken”.

Ze geeft toe dat ze “een redelijke workaholic” is “als ze op dreef is”. In het verleden leverde haar dat wel eens commentaar op met een zinspeling op haar naam: : “Joke raast”. “Omdat ik altijd met zoveel dingen tegelijk bezig ben en niet stop.” (Lacht). Maar dat is nu niet meer mogelijk.  Ze vertelt dat ze– tot haar verbazing – recent soms tintelingen in haar handen voelde. Ze wordt zich tijdens het werk meer bewust van haar lichaam, dat een intense periode heeft doorgemaakt met de geboorte van de kinderen. Ze merkt ook in het algemeen dat de tijd zijn tol eist van het lichaam. Het drukt haar met de neus op het feit hoe gelimiteerd de tijd is.

Groter werk

“Als kunstenaar spreek ik met mijn handen. Wat ik maak, vloeit eruit. Ik verdwijn met mijn handen en eigenlijk met heel mijn lichaam in mijn werk. Tijd en afstand verdwijnen. Jammer dat er nog zoveel andere dingen zijn om rekening mee te houden”. Ze betrapt zich erop dat ze soms berekeningen maakt: “Oké, hoeveel jaar kan ik nog aan dit tempo werken, hoeveel werk kan ik dan nog maken?”.

Ze haalt een boek aan over kunstenaarschap in combinatie met moederschap of ouderschap. De auteur onderzoekt waarom veel vrouwelijke kunstenaars niet zijn doorgebroken en geen sporen hebben nagelaten in de kunstgeschiedenis. Een van de redenen, volgens de auteur, is dat ze – onder tijdsdruk en door de hoge kosten van een atelier en materialen – kleiner werk zijn gaan maken. Dat inzicht trof Joke en bracht haar ertoe om juist groter werk te creëren. De open call voor het Ensor-jaar bood de uitgelezen kans, en zo ontstonden haar grote buitensculpturen voor de solotentoonstelling in de Japanse tuin in Oostende.

Ha Japan! In Japan zag ze dat veel mensen daar honderd jaar worden. “Ze zitten in de tuinen op hun hurkjes, uren met hun handen te wieden, vaak met z’n drieën of vieren,  met een hoedje onder de zon. Ze zijn gelukkig. Hier is ouder worden voor iedereen een schrikbeeld.”

Binnenstebuiten

Reden te meer om de tijd goed te gebruiken. Al overtuigt een rondgang in haar atelier alleen maar dat ze dat inderdaad doet. Ze toont ons dat er soms letterlijk afdrukken van haar handen in haar werk te zien zijn. Dat kan gaan van sporen van haar vingers op een gedraaid stuk tot een werk waarvan de nerven van blaadjes ontstaan zijn uit vingerafdrukken. Je moet wel al goed kijken om het te kunnen zien. De afdrukken zijn onopvallend, een subtiele aanwijzing dat haar werk door haar eigen handen gaat.

Mijn aandacht wordt getrokken door een sculptuur van een gouden hand. Ze ziet het meer als een experiment dan als een volwaardig kunstwerk, verduidelijkt ze. Ze heeft haar eigen handen afgegoten om de idee te verkennen “dat je als kunstenaar jezelf binnenstebuiten keert en dat zichtbaar maakt voor het oog van anderen. Je geeft genereus. Je reikt de hand”. Het experiment stond ook in verband met haar fascinatie voor labyrintische, onderhuidse kaarten.  “De aders van de handen lijken op banen. Dat vond ik een leuk idee: mensen lopen soms verloren in het leven, maar eigenlijk kun je nooit verloren zijn, want onder je huid hebt je altijd plannetjes. Waar ze naartoe leiden, is een groot vraagteken natuurlijk. Bij de gouden hand zie je dat ik letterlijk een stuk uit de arm heb gehaald om die interne kaart zichtbaar te maken.”

Een vergelijkbare reflectie op identiteit, de binnenkant en de buitenkant, het verbergen of onthullen, komt terug in haar maskerportretten. Daarin keert ze als het ware het gelaat binnenstebuiten om ‘de wilde tuin vol fantasie’, de dromen en verlangens, de schoonheid en fragiliteit bloot te leggen die onderhuids in elk van ons aanwezig is.

Je favoriete handen in het leven?

Joke Raes: “Alle handen binnen handbereik, van verschillende generaties, ook handen die er niet meer zijn, van opa, oma, echt allemaal. Ik leun vaak op mijn omgeving en ze zijn altijd welkom om een handje toe te steken.”

Je favoriete handen in de kunst?

Joke Raes: “Moeilijk om te beantwoorden. Ik dacht onmiddellijk aan de handen van Sofie Muller (1), omdat die heel fragiel zijn, en aan die van Leonardo Da Vinci. Maar ik weet niet of dat daarom mijn favoriete handen zijn. Ook een video van Paul McCarthy kwam in me op: hij zit als een clown met blauwe handen naast een heel chique verzamelaarskoppel. Dat beeld is me bijgebleven. Als kunstenaar doen je handen eigenlijk echt vuile dingen. (Lacht).”

Je best herinnerde filmscène waarin handen voorkomen?

Joke Raes: “Het eerste wat me te binnen schoot was Darkness-Light-Darkness (1989) van Jan Švankmajer (2).  Een animatiefilm à la Kafka. Een mannetje zit in een kamer terwijl zijn ledematen een eigen leven leiden. Hij probeert te begrijpen waar elk onderdeel van zijn lichaam thuishoort. Dimensions of Dialogue (1983) van Švankmajer is ook erg goed . Een koppel uit klei gemaakte mensen maakt ruzie en ze raken versmolten in elkaars klei. Dat levert interessante beelden op van levende klei, zowel figuratief als abstract.

Ik dacht ook aan Paris Texas (1984) van Wim Wenders (3), maar dat zat ver. De scène  waarin Nastassja Kinski haar handen op de spiegel legt. Ze kan niet zien wie aan de andere kant van de spiegel zit te praten, maar op het moment dat ze het verhaal herkent en beseft dat het haar man is, plaatst ze haar handen op de spiegel. Zijn gezicht wordt zichtbaar over het hare.

En dan is er nog Edward Scissorhands van Tim Burton. Die film herinner ik me vooral omdat ik er als kind zo bang voor was. Ik vond het verschrikkelijk.”

Een boek of een mooi verhaal waarin handen voorkomen?

Joke Raes: “Alles is verlicht van Jonathan Saffran Foer. De verteller, Alex, verzamelt -met zijn handen – allerlei objecten in een zakje dat hij altijd bijhoudt. En ook de enorme handen van de GVR (Grote vriendelijke reus) van Roald Dahl. Als hij het meisje Sophie wil oppakken, is ze doodsbang van die gevaarlijke handen, maar ze zijn lief en zacht.”

Je favoriete citaat, titel, uitdrukking of gezegde waarin handen voorkomen?

Joke Raes: “Iemand op handen dragen.”

Je favoriete handgebaar?

Joke Raes: “Zwaaien, ook wel rondzwaaien, mijn zoontje deed dat een tijdlang voortdurend.”

Je favoriete handeling (iets wat je met je handen doet)?

Joke Raes: “Een kopje thee vasthouden en je handen er lekker aan warmen, of wat ik ook zalig vind, vooral als ik zwem: mijn vingers over het water laten strelen.”

De kenmerken van je handschrift?

Joke Raes: “Katachtig. Onleesbaar katachtig, het wordt erger met de jaren, heel schuin. Soms kan ik het zelf niet meer lezen.”

Het ergste wat je handen ooit is overkomen?

Joke Raes: “Dat valt mee, het ergste wat ik kan bedenken, is een diepe snee door een langoustine. Sindsdien ben ik ook voorzichtiger.”

Het beste, uitzonderlijkste of moeilijkste dat je ooit met je eigen handen gemaakt hebt?

Joke Raes: “Ik ben nu bezig met Japanse glazuren. Als je werkt met glazuren, gebeurt het meeste in de oven; je weet nooit hoe het resultaat eruit komt. Dat vind ik iedere keer magisch. Vooral kristalglazuren zijn spannend.  Je moet de grondstoffen en chemicaliën precies afwegen, en dan ontstaat het. Maar ik heb in Japan ook werk gemaakt waarbij ik geen garantie had hoe het uit de oven zou komen- puur op gevoel, complete verrassing.”

Als je je handen mocht wisselen met die van een andere kunstenaar, wie zou dat zijn?

Joke Raes: “Ik dacht eerst aan Tony Cragg (4) vanwege zijn sculpturen.  En aan David Altmejd (5) die op een boeiende manier gebruik maakt van materialen zoals plexi en epoxy.  Hij maakt sculpturen die half mens, half gesteente zijn. Zijn werk doet me ook denken aan dat van Matthew Barney (de ex van Björk). De handen van Cindy Wright vind ik ook fascinerend.”

Van welke levende kunstenaars zou je graag de handen eens kunnen vastnemen?

Joke Raes: “De handen van Mark Dion zou ik wel eens willen vasthouden. Hij bouwt installaties waarin hij, als een archeoloog, dingen archiveert – ook waardeloze materialen. Voor de Verbeke Foundation creëerde hij The Accused’ (6), het atelier van een taxidermist. Het lijkt haast een natuurhistorisch museum.  In Venetië zag ik ook werk van hem, een tentoonstelling met alles wat werd opgehaald bij het uitbaggeren van kanalen. Het was als een museum van restanten uit het water, waar af en toe ook heel andere dingen tussenlagen. Ik vind het zalig dat hij zo humoristisch is.”

Welke helden of heldinnen uit de kunstgeschiedenis draag je op handen?

Joke Raes: “Hoh, het zijn er zoveel. Ik houd van de kabinetjes (7) van Joseph Cornell en van Ernst Haeckels Kunstformen der Natur. Ik denk aan de surrealisten, maar ook aan die nonnen die Augustinessenkloostertjes maakten… Berlinde De Bruyckere heeft daarmee mogen interageren. De Mechelse gasthuiszusters creëerden in de zestiende eeuw besloten hofjes—rijk versierde kabinetjes waarin soms wel 400 verschillende materialen verwerkt werden: schilderijen, beeldjes, textiel, gedroogde bloemen… Zo mooi. Na het bidden mochten ze geopend worden, als paradijstuintjes. Misschien horen ze niet echt thuis in de kunstgeschiedenis, maar voor mij zijn ze evenzeer fascinerende kunst.

Ik dacht ook aan vrouwelijke kunstenaars zoals Rebecca Horn. Het blijft een moeilijke vraag om te beantwoorden. Toen ik begon te werken rond Ensor, had ik niet meteen het gevoel dat ik een sterke connectie met zijn werk had. Maar toen ik erin dook, raakte ik geboeid door zijn kleurgebruik.”

Iets waaraan je als kunstenaar je handen niet wil vuilmaken?

Joke Raes: “Aan mensen die destructief zijn, daar blijf ik liever af.”

Wanneer heb je laatst nog gefietst zonder handen?

Joke Raes: “In mijn puberjaren, maar dat liep slecht af. (Lacht hartelijk). Ik had een tijdschrift gekocht en was op de fiets een strip beginnen lezen. Totdat ik tegen een geparkeerde auto reed en viel. Daarna heb ik het niet meer gedaan, hoewel ik het eigenlijk niet zo moeilijk vind om zonder handen te fietsen.”

Heb je een gat in je hand?

Joke Raes: “Mijn lief zei gisteren: ‘Meerdere, Joke.’ Het hangt af van mijn gemoedstoestand: af en toe moet je jezelf toch een beetje verwennen, niet? Ik drink graag goede thee en geniet van taartjes. Ook aan materialen geef ik geld uit. Soms kan ik moeilijk kiezen als ik iets koop, en dan kijk ik op den duur niet meer naar de prijs: plantjes, bloemetjes… Maar nu probeer ik twee keer na te denken, want alles is zo duur.”

Ben je wel eens zwaar op de hand?

Joke Raes: “Neen, ik ben echt wel een optimist. Als ik al zwaarmoedig ben, is het omdat ik een nachtmerrie heb gehad—letterlijk, ’s nachts, onder invloed van een film of zo. En ja, als je naar de media kijkt, lijkt de wereld in brand te staan. Daar voel ik me natuurlijk ook wel wat machteloos bij. Soms heb ik enorme stress, maar dan beslis ik toch om te roeien met de riemen die ik heb. En dan ga ik een taartje eten.”

Iets waarvoor je een betere handleiding zou wensen?

Joke Raes: “Het kunstenaarschap.  Je studeert het, maar als je er eenmaal voorstaat, blijkt het enorm complex. Er is een kunstenloket, een kunstenpunt, maar soms voelt het als pure Kafka – vooral in de beeldende kunst. Ik heb al zo vaak voor voldongen feiten gestaan.

Natuurlijk, ik ben hier in België. Ik heb een atelier, ik kan en mag reflecteren, creëren. Dat omarm ik. Ik besef wel dat er genoeg plekken in de wereld zijn waar dat onmogelijk is, waar het talent van generaties kunstenaars gewoon verloren gaat.

Op een bepaalde manier is kunst nochtans topsport. Ik voel het ook fysiek. Maar die perceptie ontbreekt volledig. Integendeel, mensen denken dat je te veel tijd hebt.

In België is er maar een handvol kunstenaars die het in hoofdberoep redden. Maar zij vertellen me allemaal dat het met veel hindernissen gepaard gaat. Je wordt als kunstenaar als een bedrijfsleider aanzien: je moet kwartalen betalen. Maar daar komen ook de kosten van je atelier en de grondstoffen nog bij. De prijs van klei is sinds Corona verdrievoudigd. Als je alles in rekening brengt, wordt je werk belachelijk duur. Ik moet enorm beknibbelen op mijn materiaal.

Succes hangt echt aan een zijden draadje. Je moet dikke vette chance hebben.”

Houd je nog een goede vraag of opmerking achter de hand om af te ronden?

Joke Raes: “Eigenlijk zijn handen voelsprieten.  Een boek dat ik zowel hilarisch als tragisch vond, is ‘De stad der blinden’ van José Saramago. Het verhaal van die blindheidsepidemie is zonder twijfel ellendig, maar toch vond ik het eigenlijk ook grappig. Hoe zou het zijn om blind te zijn en de wereld alleen met je handen te ontdekken en betasten?  We leven in een beeldende wereld, maar kijken we wel écht?  Kijken we niet veel te vluchtig?  Daag jezelf uit!”